Bij het geven aan van instructie bij het leiden van activiteiten zijn er een aantal vuistregels.
1. Groepen maken
Wanneer we een partijspel willen spelen moeten we eerst groepen maken.
2. Opstellen
Door de spelers op de juiste plaats in het speelveld te plaatsen wordt de uitleg sneller begrepen.
3. Het speelveld of de speelrichting
Duidelijk moet worden aangegeven hoe groot het speelveld is. Dat kan aangegeven worden door de lijnen op de vloer, pionnen etc. Ook moet de deelnemer duidelijk worden gemaakt in welke richting het spel gespeeld gaat worden.
4. De bedoeling of het doel van het spel of de activiteit
Belangrijk is de bedoeling van het spel te vertellen. Dit kan zijn: Het maken van punten bij de tegenpartij, de tikker moet de andere spelers tikken etc.
5. De startregels
Voor de start van het spel moet de spelers soms gewezen worden op de veiligheid. Geef aan op welke wijze de bal gegooid moet worden, dat de lopers voorzichtig moeten zijn bij het keerpunt. Welke regels hebben we nodig om snel te kunnen spelen? Vertel zo min mogelijk regels aan het begin, want tijdens het spel kan je altijd nog regels toevoegen.
- Plaatje, praatje,daadje
Aan de hand van een voorbeeld leg je een spel uit en als je spelend een spel kan uitleggen, is dat nog mooier.
6. De eerste keer spelen
Als je het signaal “spelen” gegeven hebt controleer je of de deelnemers de regels echt begrepen hebben. Als er misverstanden zijn stop je het spel en leg je de regels opnieuw uit.
7. Onderbreken
Je onderbreekt een spel als zich een onveilige situatie voordoet. Los deze eerst op voordat je verder laat spelen. Dit kan om het materiaal gaan maar ook over hoe een speler zich gedraagt.
Het kan voorkomen dat spelers de regels verkeerd begrijpen of dat je nieuwe regels wilt invoeren. Ook dan leg je eerst het spel stil zodat alle spelers de nieuwe regels horen.
Als het spel niet loopt, als de spelers het spel niet begrijpen, of als het spel er een stuk aantrekkelijker door wordt, geven we de spelers een tip.
8. Het spelen
Iedereen weet nu hoe het spel gaat, wat de bedoeling is. Onduidelijkheden zijn opgelost. ‘Het spel is duidelijk’.
9. Variëren of uitbouwen
- Variëren:
Als je een spel gedurende een bepaalde tijd hebt gespeeld kan het voorkomen dat de spelers er op uitgekeken raken. Dan is het tijd om een leuke variatie te brengen. Het spel wordt er niet moeilijker of makkelijker van maar net even anders zodat er weer met nieuw enthousiasme verder kan worden gespeeld.
- Uitbouwen:
Het kan ook zijn dat de spelers toe zijn aan een iets moeilijker vorm. Dan leg je het spel stil en leg je de moeilijkere regels uit zodat de spelers worden uitgedaagd met die regels te spelen.
10. Herhalen of revanche
Een herhaling van een spel geeft vaak veel voldoening. De groep heeft de vorige keer veel plezier beleefd aan het spel en wil het spel graag nog een keer spelen. Het herhalen van een spel kan ook gebruikt worden als een “revanchemogelijkheid” voor de verliezende partij van het vorige spel.
11. Afsluiten van het spel
Het is belangrijk dat je een spel niet abrupt, zonder vooraf te waarschuwen stopt. Het is voor deelnemers, en vooral voor kinderen, vaak moeilijk om met spelen te stoppen. Laat daarom vooraf weten dat het einde van het spel eraan komt. Dit kan je doen op de volgende manier:
- Laatste aanval;
- Winnende doelpunt;
- Nog een minuut;
- Laatste tikker
- etc.
Het op deze manier de deelnemers rustig aan het eind te laten wennen is bijna net zo belangrijk als het in de sfeer van de les brengen.